Oostrum-
Begin dit jaar zijn bij een archeologische opgraving in
Oostrum (gemeente Dongeradeel) bewoningsresten uit de Nieuwe
Steentijd gevonden. Archeologen ontdekten onder de terp een
nederzetting van de Trechterbekercultuur (ca. 3400 tot 2850
voor Christus). Doorgaans dateren de oudste terpvondsten uit
de Romeinse tijd.
Onder de terp bleek zich echter een hoge zandlaag te bevinden
die al drieduizend jaar daarvoor door mensen in gebruik was
genomen. De vondsten bestaan uit honderden scherven aardewerk,
versleten vuursteen, stenen werktuigen en afval van
vuursteenbewerking. Slechts op enkele locaties in Friesland
zijn tot op heden vondsten gedaan die met de
Trechterbekercultuur in verband kunnen worden gebracht.
Behalve in Oostrum zijn in het verleden ook in Bornwird en
Gaasterland sporen van de hunebedbouwers aangetroffen. De
recente vondsten bewijzen dat ook de Friese kuststreek
destijds een aantrekkelijk woongebied is geweest.
De Trechterbekercultuur is vooral bekend als het volk van
de hunebedbouwers. Het verspreidinggebied van deze cultuur
strekt zich uit van zuidelijk Scandinavië tot het noorden van
het Europese vasteland en Nederland tot in Oekraïne. De
Nederlandse tak van deze cultuur, de Westgroep, leefde vooral
in Groningen en Drenthe. Archeologen hebben deze volken de
verzamelnaam Trechterbekercultuur gegeven vanwege de
karakteristieke aardewerken trechterbekers die als grafgiften
aan de doden werden meegegeven.
Van de woonsituatie van de Friese hunebedbouwers is weinig
bekend. Ze zijn vooral bekend van de hunebedden. Daarvan staan
er 52 in Drenthe en eentje in Groningen.
Het waren de begraafplaatsen van de Trechterbekermensen.
Tegenwoordig zijn alleen nog de stenen kamers zichtbaar, maar
oorspronkelijk waren deze bedekt door een aarden heuvel. De
hunebedbouwers leefden in de periode waarin de uitvinding van
de ploeg een enorme impuls gaf aan de landbouw. De mensen
vestigden zich in permanente woonplaatsen en de bevolking nam
sterk toe. Deze eerste boeren verbouwden tarwe, gerst, vlas,
bonen en linzen. De veestapel van deze kleine
boerengemeenschappen bestond uit ossen, runderen, varkens,
geiten en schapen. |